
Recht op een mening
Sommigen zijn wellicht geschrokken toen ik afgelopen zaterdag eens ronduit "mijn gedacht" heb gezegd over het werk van Paul McCarthy bij de opening van zijn tentoonstelling in het Middelheimmuseum. Maar ook al kan ik me niet steeds vinden in de ethische boodschap van een kunstenaar, of de esthetische verpakking van die boodschap, als democraat wil ik vechten voor ieders recht op vrije meningsuiting. Dat heb ik de afgelopen weken al bewezen, en dat zal ik ook in de toekomst blijven doen. Zaterdag heb ik dit als volgt verwoord, en er misschien (eindelijk) een debat mee op gang getrokken. Als schepen voor cultuur ben ik blij dat we met het stadsbestuur er voor hebben geopteerd om van Antwerpen een stad ván en vóór hedendaagse kunst en de hedendaagse kunstenaar te maken. We tonen dat op verschillende manieren: door het inrichten van tentoonstellingen, door het publiceren van kunstboeken, door samenwerking met de Academie, met de galerijen, met het Muhka, Extra City en anderen, door een dynamisch atelierbeleid met NICC, door het realiseren van kunstprojecten in de openbare ruimte en, zoals u onlangs nog kon zien, door het effectief ruimte bieden aan jonge kunstenaars in het geherprofileerde Hessenhuis.
Er kan dus geen twijfel over bestaan dat uw schepen voor cultuur een groot “believer” is in de hedendaagse kunst en de kunstenaar. Maar vandaag wil ik hier ook even een meer persoonlijk standpunt vertolken, omdat, net zoals de kunstenaar recht heeft op artistieke vrijheid, een beleidsverantwoordelijke mijns inziens recht heeft op een eigen ethisch en esthetisch oordeel. Ik weet dat het ongebruikelijk is dat een politicus dit oordeel dan ook luidop uitspreekt, vooral dan ter gelegenheid van een vernissage, maar ik wil hiermee in het debat over de artistieke vrijheid, waarmee ik de laatste tijd zo vaak word geconfronteerd, positie innemen en, wie weet, de aanzet geven voor een ruimer debat in het publieke forum.
Hedendaagse kunst is vaak een hot item in de media omdat ze ervaren wordt als provocerend of omdat ze uitgesproken standpunten inneemt in een maatschappelijk debat.
Je kan je vragen stellen bij deze opvatting over kunst. Het is waar dat de avant-garde de kunst heeft bevrijd van de plicht om alleen maar mooi te zijn. De kunst van de avant-garde toonde een realiteit die door de burgerij steeds was toegedekt. Kunst werd verbonden met kritiek, provocerende ontluistering. Kunst moest verontrusten. Sinds een aantal decennia is dit avant-gardistisch gedachtengoed uitgehold. Kritiek, provocatie, vervreemding, verontrusting, zijn ingeburgde begrippen geworden. Velen zijn ervan overtuigd dat kunst nodig is juist omdat ze ‘controverses uitlokt’, mensen ‘uitdaagt’, ‘wakker schudt’, enz…Het zou zelfs bijdragen tot een meer open en dus betere samenleving: democratisch, ruimdenkend, tolerant, multicultureel, … Kortom de idee dat kunst mensen wakker schudt, is een fetisj geworden. De idee overheerst dat wie zich al te zeer in een visie engageert, zijn openheid verliest voor talloze andere mogelijke visies.
Maar deze openheid voor alles wat anders, nieuw en onvoorspelbaar is, getuigt in de grond vaak van een angstige geslotenheid, en dan kom ik bij de tentoonstelling die we vandaag openen. Zolang, voor de culturele goegemeente, alle visies even interessant en waardevol blijven, zijn ze geneutraliseerd.
Nergens is de vrijblijvende tolerantiemoraal zo dwingend als in de kunstwereld. Het is al lang bekend dat binnen deze wereld elk sociaal, politiek of cultureel probleem kan worden aangesneden zonder dat ooit iemand naar de publieke opinie toe de verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor wat hij zegt. Men houdt er vooral van DAT er gecommuniceerd wordt, het liefst zo veel mogelijk, via workshops, debatten, presentaties en internet natuurlijk. Reflecteren over de ‘wereld’ hoeft niet meteen van nut te zijn. De kunstwereld verlustigt zich vaak aan zichzelf, en koestert daarbij het idee dat ze een geslaagde, democratische, niet-hiërarchische mondialisering vertegenwoordigt.
Maar dat pluralistisch en multiculturele vertoog leidt tot een eenheidsworst. De kunstenaar wil ons een geweten schoppen, maar heeft in vele gevallen omtrent de retoriek van die schop blijkbaar zelf totaal geen scrupules. “Dat de retoriek van de voorstelling, hoe goed bedoeld ook, zelf een probleem kan zijn, niet zomaar een artistiek luxeprobleem, maar een politiek probleem, lijkt een gedachte voor ouderwetse modernisten”. Met deze woorden opende Frank Van De Veire in 2003 een debat dat nog steeds niet is afgerond.
Wil dit nu zeggen dat ik tegen de vrijheid van de kunstenaar ben? Neen, absoluut niet, integendeel. Maar de vraag hoever de vrijheid van de kunstenaar dan kan gaan, mogen we niet ontwijken. Dat kunstenaars een grote vrijheid genieten, behoort tot de axioma’ s van de Westerse beschaving. Kunstenaars kiezen vrij hun onderwerp, hun vorm, hun inhoud, hun kleuren, hun taal. Maar ze moeten ook tegen kritiek bestand zijn — zoals politici dat ook moeten zijn tegen de kritiek van de kunstenaar.
Ik betwist niet dat het vandaag nodig blijft om de vrijheid van artistieke expressie te verdedigen. Dit wil echter niet zeggen dat die artistieke vrijheid onbeperkt is. Eigenlijk kan ze dat ook niet zijn. Mijn geloof in de vrijheid is absoluut, ik geloof echter niet in de absolute vrijheid.
Het Middelheimmuseum heeft in deze discussie steeds een rol gespeeld. Dat begon al heel vroeg, in 1952, twee jaar na de oprichting van het museum, naar aanleiding van de aankoop van de ‘Koning en de koningin’ van Henry Moore. Er ontstond een hele heisa in de gemeenteraad met de vertrouwde vragen of dit al dan niet kunst was en of er aan zoiets wel belastingsgeld moest besteed worden.
Een tiental jaar geleden gebeurde ongeveer hetzelfde met een werk van Lawrence Weiner, u weet wel de rode tekst op de gevel van de oranjerie. Opnieuw ontstond er onenigheid over de waarde van een kunstwerk, opnieuw moest het debat gevoerd worden of dit wel kunst was en of het wel thuis hoorde in het Middelheimmuseum. Op zich is zo’n debat natuurlijk interessant en wordt het - zoals ik reeds zei - vaak gezien als één van de bestaansredenen van een museum voor hedendaagse kunst.
Dames en Heren,
Als het Middelheimmuseum rapporteert kan het niet anders of er komen soms ook meer controversiële kunstenaars aan bod en Paul McCarthy is er zo één. Hij sluit aan bij een strekking waar maatschappijkritiek, politiek, geweld en sex niet geschuwd worden.
Maar net zoals de kunstenaar recht heeft op zijn vrije mening, op de uitoefening van zijn ongehinderde creativiteit, zo heeft naar mijn mening ook de politicus het recht op een mening, want gelukkig bestaat er ook niet zoiets als absolute neutraliteit.
En ik moet u eerlijk zeggen dat ik veel enthousiasme aan de dag kan leggen voor verschillende van de werken van Paul McCarthy, zoals zijn “inflatables”; sommigen zijn zelfs wereldcreaties en dat is goed voor het museum. Maar een gedeelte van zijn werk (foto’s, stills etc) spreekt mij niet aan of is mij zelfs ronduit wansmakelijk. Sommigen zullen mij dan wel weer zeggen dat dit nu net de bedoeling was. Dat de vrijheid van de kunstenaar aan het woord is, en dat mijn reactie tot de “performance” van de kunstenaar behoort.
Allemaal goed en wel, en ik wil respect opbrengen voor ieders mening zoals ik dat als schepen voor cultuur gewoon ben, maar voor mij is een gedeelte van het werk zowel ethisch als esthetisch onaanvaardbaar. Het is niet de eerste keer dat ik als politiek verantwoordelijke in een onmogelijke positie word geplaatst; want velen zouden niet liever zien dan dat ik een gedeelte van de tentoonstelling zou verbieden, zodat de politicus als exponent van het establishment met veel zogenaamd “progressief” genoegen nog eens onderuit kan gehaald worden. Een rol die mij niet op het lijf is geschreven, want in alle debatten rond artistieke vrijheid, zowel in het verleden als tijdens de afgelopen weken, heb ik steeds gewetensvol mijn verantwoordelijkheid genomen.
En dat doe ik nu ook, maar ik neem wel de vrijheid om ook míjn mening te geven. Ik ben dan misschien wel geen kunstenaar, maar ik heb ook mijn rechten. Iedereen heeft het recht om de “kunst” die we vandaag gaan zien, goed of slecht te vinden. En het is zelfs best dat er een debat over kan volgen. Maar wat mezelf betreft, zou ik graag willen afronden met een parafrase van Hegels idee “dat kunst de spiegel van de mens is”. Welnu, ik herken mij alleszins niet in deze spiegel.
Philip Heylen
Klik hier om te reageren |